Subsidieregeling

Op 1 juli 2025 is de subsidieregeling in de Staatscourant gepubliceerd. Daarmee is formeel een vervolg gegeven aan de continuering van dit groeifondsproject. Hiermee komen in de komende jaren nog eens extra 42,9 miljoen euro beschikbaar om nieuwe LLO Collectieven op te starten.

Geïnteresseerde regio’s dienden tussen 15 september en 31 oktober 2025 hun plannen in. Bekijk voor meer informatie de regeling DUS-I. In deze periode zijn de regio’s ondersteund, onder andere door middel van een webinar en verschillende vragenuurtjes. Er verschenen ook een aantal tips voor het schrijven van een aanvraag. Hieronder vind je vragen die gesteld werden tijdens de aanvraagperiode.

English

For more detailed information about the available subsidy scheme, please refer to the official document.

Meest gestelde vragen

Bekijk hier de meest gestelde vragen over de subsidieregeling. Staat je vraag er niet bij? Neem contact met ons op.

Aanvraagprocedure

Een online aanvraagformulier (waarin visie en ambitie, activiteiten en samenvatting worden beschreven), begrotingsformulier en samenwerkingsovereenkomst. Zie voor meer informatie https://llo-collectief.nl/eisen/

De Minister van OCW beslist over de toekenning van de subsidie. De inhoudelijke beoordeling wordt door de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instanties (DUS-I) uitgevoerd in twee stappen: 1. administratieve (vol)toets: aanvraag wordt beoordeeld op volledigheid (zijn de ingediende stukken de daadwerkelijk gevraagde stukken) en inhoudelijke beoordeelbaarheid (zijn geleverde stukken volledig ingevuld en beoordeelbaar). Hieronder valt bijvoorbeeld de controle op juiste ondertekening van de aanvraag. Er is een mogelijkheid tot aanvulling. DUS-I stelt de aanvrager daartoe in de gelegenheid, indien nodig. 2. inhoudelijke beoordeling: DUS-I beoordeelt of aan de voorwaarden voor subsidieverlening wordt voldaan door het visiedocument, het activiteitenplan, de begroting, en de samenwerkingsovereenkomst te toetsen aan de hand van het in de regeling opgenomen beoordelingskader.

Dit kan uitmaken. De rangschikking vindt plaats aan de hand van het beoordelingskader dat is opgenomen als bijlage bij de regeling. Hiervoor geldt hoe meer punten hoe hoger de rangschikking. Indien het subsidieplafond door toekenning van alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen zou worden overschreden en twee of meer aanvragers een gelijke score hebben gehaald bij de rangschikking van de aanvragen, dan worden deze aanvragen gerangschikt op volgorde van binnenkomst. Maar in principe worden dus de beste aanvragen gehonoreerd.

Helaas is het niet mogelijk om hyperlinks toe te voegen aan het aanvraagformulier. Er zijn meerdere signalen ontvangen over het maximaal aantal woorden per vraag. Er is dan ook besloten om het maximaal aantal woorden per vraag op te hogen naar 300 woorden. Hopelijk geeft deze extra ruimte iets meer rust voor het schrijven van de aanvraag.

Je kunt slechts voor één arbeidsregio een aanvraag indienen. Daarnaast wordt er maximaal één aanvraag per arbeidsregio toegekend. Het is wel mogelijk om eenzelfde partner in meerdere samenwerkingsverbanden deel te laten nemen aan deze subsidie. Als dit het geval is, moet je duidelijk beschrijven wat de activiteiten zijn en toelichten dat er geen sprake zal zijn van dubbelfinanciering.

De website van DUS-i is leidend. Wij hebben inmiddels onze website aangepast, inclusief enkele tips bij een aantal vragen die beantwoord moeten worden: https://llo-collectief.nl/eisen/

De website van DUS-i is leidend. Wij hebben inmiddels onze website aangepast, inclusief enkele tips bij een aantal vragen die beantwoord moeten worden: https://llo-collectief.nl/eisen/

Het aanvraagformulier komt pas online als het tijdvak voor inschrijving geopend is. Het format begroting en het format samenwerkingsovereenkomst staan beide op de website van DUS-i. Aanvraagformulier en format begroting zijn verplicht om te gebruiken bij de aanvraag. Gebruik van het format samenwerkingsovereenkomst is wenselijk, maar niet verplicht.

Per vraag heeft de aanvrager een invulveld met maximaal 300 woorden. De vragen staan op de website van DUS-I. Er zijn vragen die voor elke activiteit beantwoord moeten worden en vragen die per aanvraag ingevuld moeten worden. De vragen op een rij:

Per aanvraag:

  • Hoeveel activiteiten gaat u uitvoeren binnen het project? Geef voor elke activiteit de naam, startdatum en einddatum.
  • Geef aan hoe de lessen uit de eerste twee pilotregio’s verwerkt zijn in de genoemde activiteiten.
  • Welke risico’s kunnen de voortgang of het behalen van de doelstellingen belemmeren?
  • Hoe beperkt of vermindert u deze risico’s?
  • Hoe gaat u het project monitoren en evalueren?
  • Hoe past u de aanpak aan als uit monitoring blijkt dat bijsturing nodig is?
  • Hoe dragen deze activiteiten bij aan één of meer van de vier landelijke projecten binnen het LLO Collectief?

Per activiteit:

  • Een beschrijving van elke activiteit.
  • Wat is het doel van deze activiteit en hoe draagt deze bij aan de projectdoelstellingen?
  • Wat zijn de beoogde tussenresultaten en eindresultaten van deze activiteit?
  • Wat zijn de belangrijke fasen en mijlpalen binnen deze activiteit?
  • Wie zijn betrokken bij het project en wat is ieders rol?
  • Leg uit waarom deze organisaties in staat zijn het project binnen de gestelde tijd succesvol uit te voeren.

Dus je mag per activiteit 300 woorden gebruiken om de activiteit te beschrijven, 300 woorden om het doel te beschrijven, 300 voor beoogde resultaten etc.

In artikel 3 van de regeling staat voor welke activiteiten subsidie wordt verstrekt. Het subsidiepercentage voor deze activiteiten is 100%.
Alleen de voor het project noodzakelijke kosten worden gerekend als subsidiabel. Het gaat onder andere om kosten voor inzet van personeel, om exploitatiekosten en om afschrijfkosten in zoverre deze toe te rekenen zijn aan de LLO-oplossing. Dit betekent dat van de aangeschafte voorzieningen die worden ingebracht op de begroting alleen de afschrijfwaarde mag worden opgevoerd als subsidiabel voor de tijdsperiode dat deze voorzieningen binnen het project worden toegepast.
Met betrekking tot personele kosten wordt hier ook de inzet van externen bedoeld, maar het heeft de voorkeur om intern personeel te gebruiken indien mogelijk. Intern personeel maakt het makkelijker om de opbrengsten te verduurzamen binnen de organisatie en voorkomt BTW-afdracht waardoor er 21% meer subsidie beschikbaar is.

De resultaatverplichting gaat over 200 deelnemers die ondersteund worden door middel van een of meerdere scholingsmodules op weg naar Leven Lang Ontwikkelen, gekoppeld aan werk en/of werkverbetering. Een hoger aantal mag natuurlijk, maar de resultaatverplichting geldt voor 200 deelnemers.

Penvoerderschap en samenwerkingsverband

Het samenwerkingsverband werkt in het project gezamenlijk aan de te behalen doelen. De penvoerder maakt onderdeel uit van het samenwerkingsverband en is de partij die formeel de subsidieaanvraag indient, de middelen ontvangt en verantwoordt. Bestuursrechtelijk is de penvoerder daarom de subsidieontvanger. De subsidie wordt uitsluitend aan de penvoerder verstrekt, en de penvoerder is er verantwoordelijk voor om de activiteiten uit te voeren in samenwerking met de andere partners van het samenwerkingsverband. De penvoeder mag de ontvangen subsidie overmaken naar andere partijen.

Iedere partij die onderdeel uitmaakt van het samenwerkingsverband kan als penvoerder optreden. Onderling dient het samenwerkingsverband hierover afspraken te maken (met uitzondering van gemeenten, provincies en openbare lichamen).

Gemeenten, provincies en openbare lichamen kunnen geen penvoerder zijn bij subsidieregelingen van de Rijksoverheid, omdat de Financiële-verhoudingswet dit verbiedt. Andere overheidsorganisaties -mits zij een rechtspersoon zijn- kunnen wel als penvoerder optreden.

Ja. In eerste instantie was in de subsidieregeling opgenomen dat een partij maar bij één regio penvoeder kon zijn. Zo is dit ook tijdens de regiobijeenkomsten gecommuniceerd. Deze bepaling is echter aangepast, waardoor in de definitieve regeling is opgenomen dat een partij bij meerdere regio’s penvoeder kan zijn.

Ja. De regeling voorziet in de mogelijkheid om private opleiders penvoerder te laten zijn. Wat betreft de manier waarop private opleiders betrokken kunnen worden bij regionale LLO-Collectieven staat in de regeling niets omschreven.

Ja, als onderdeel van het samenwerkingsverband kan een overheidsorganisatie, inclusief gemeenten en/of provincies via de penvoerder subsidie ontvangen.

Naast de verplichte deelnemers aan een samenwerkingsverband (zie artikel 7 van de regeling) kunnen andere partijen ook onderdeel hiervan uitmaken. Dit wordt aangemoedigd, omdat dit de brede, regionale samenwerking ten goede komt. De regeling bevat geen eisen voor wie onderdeel uit mag maken van het samenwerkingsverband.

Ja, dit mag. Alleen gemeenten, provincies en openbare lichamen mogen geen penvoeder zijn.

Een project betreft de subsidiabele activiteiten (zie artikel 3 van de regeling) uitgevoerd door een samenwerkingsverband in één regio.

In de regeling staat een opleider als volgt omschreven:

  • publieke opleider, zijnde een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de WEB of de WEB BES of instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of
  • private opleider formeel onderwijs, zijnde een andere dan een in artikel 1.1.1 van de WEB of de WEB BES bedoelde instelling die op grond van artikel 1.4.1 van de WEB of de WEB BES bevoegd is een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 van de WEB of artikel 7.4.8 van de WEB BES af te geven voor het met goed gevolg afleggen van het examen van ten minste één beroepsopleiding, of rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de WHW;

Als jouw organisatie aan bovenstaande definitie voldoet, kun je samen met minimaal een overheidsorganisatie en een werkgeversorganisatie een aanvraag indienen.

Er wordt in de regeling uitgegaan van de web-regio’s. Deze zijn nagenoeg gelijk aan de arbeidsmarktregio’s. Web staat voor: Wet educatie en beroepsonderwijs.

De regeling sluit niet uit dat een overkoepelend project in meerdere regio’s tegelijk wordt uitgevoerd. We raden dit echter af, omdat dit behoorlijke financiële nadelen heeft. Het maximale subsidiebudget is 2,2 miljoen euro per aanvraag. Dit betekent dat als er in één aanvraag meerdere regio’s bediend worden het maximale bedrag nog steeds 2,2, miljoen euro bedraagt. Wij adviseren gelet hierop om per regio een aparte aanvraag in te dienen. Indien regio’s wensen samen te werken of gezamenlijk een project wensen uit te voeren dan kunt u per regio een losse aanvraag indienen die qua inhoud nagenoeg gelijk is aan de aanvraag voor de andere regio(s). We benadrukken graag dat de eisen uit de subsidieregeling voor iedere aanvraag apart gelden, zoals het behalen van minimaal 200 deelnemers en het hebben van een eigenstandige begroting.

Ja, dit kan. U moet wel op een aantal zaken extra letten.

  • U moet per regio een aparte aanvraag indienen, inclusief eigen begroting per regio.
  • De eisen uit de regeling, zoals het minimaal aantal bereikte deelnemers, dienen voor iedere regio apart gerealiseerd te worden.
  • Inhoudelijk, zoals in het visiedocument en activiteitenplan, kunt u wel een (nagenoeg) gelijk plan indienen.

Nee, dat hoeft niet. Op tabblad Eisen staat “Iedere regio bouwt voort op een bestaande of voorgenomen samenwerking in de regio, bijvoorbeeld vanuit het Regionaal Beraad of regionaal Werkcentrum of zet een nieuwe samenwerkingsstructuur op.”

In deze subsidieregeling staat het samenwerkingsverband tussen de opleider, overheidsorganisatie en de werkgeversorganisatie centraal. Voor een goede uitvoering van de activiteiten, moet er vooraf bepaald worden welke partner voor welk onderdeel verantwoordelijk is. Alle partners in het samenwerkingsverband zijn samen verantwoordelijk voor een gedegen uitvoering van de activiteiten. Duidelijke afspraken in het samenwerkingsverband zijn daarom ook het fundament van een project om de doelgroep te voorzien in onderwijs dat de vakvaardigheden en basisvaardigheden combineert.

Het is daarom niet voldoende om te beschrijven dat het collectief de activiteiten zal gaan uitvoeren. Er wordt een verdeling van verantwoordelijkheden per samenwerkingspartner verwacht.

Als er kleine wijzigingen in het samenwerkingsverband zijn na indiening van uw aanvraag, kunt u ons hiervan op de hoogte stellen door een e-mail te sturen naar . Onder kleine wijzigingen worden geen wijzigingen in de samenwerkingspartners verstaan, maar wijzigingen in de inhoud van de samenwerkingsovereenkomst.

Het is niet noodzakelijk om een nieuw samenwerkingsverband op te richten.

Jullie samenwerkingsverband voldoet aan de voorwaarden voor de werkgeversorganisatie. Het is prima als ook vakbonden aangesloten zijn. Uiteraard moet het totale samenwerkingsverband dat de aanvraag indient nog wel ook uit (minimaal) een opleider en een overheidsorganisatie bestaan.
Daarnaast is ons advies – mocht de subsidieaanvraag alleen gericht zijn op 1 sector – om dat in de aanvraag voldoende te onderbouwen.

Bedoeld wordt hier het consortium. Je schrijft het plan namens alle partners in het samenwerkingsverband en geeft dus aan hoe jullie als regio nu beleid/strategie en uitvoering voor deze doelgroep hebben.

  • De 3 verplichte partijen dienen een samenwerkingsovereenkomst in ieder geval te ondertekenen. Daarnaast zien wij graag dat andere partijen die een grote rol vervullen binnen het samenwerkingsverband de overeenkomst ook ondertekenen. Op deze manier zijn afspraken goed vastgelegd binnen het samenwerkingsverband.
  • Zijn er duidelijke afspraken gemaakt over wie wel en niet ondertekend in een regio (bijvoorbeeld wel een contactgemeente, maar niet de andere gemeenten) vermeld dit dan in de overeenkomst.
  • Het voornaamste doel van de overeenkomst is het helder vastleggen van de gemaakte afspraken die de basis vormen voor een constructieve samenwerking. Het doel is niet om van alle betrokkenen een handtekening te hebben als dit onnodige complexiteit en vertraging oplevert.
  • Een samenwerkingsovereenkomst moet inzicht geven in hoe het samenwerkingsverband is georganiseerd. De overeenkomst beschrijft helder wat de doelen zijn, wie wat doet (taken en verantwoordelijkheden), en hoe de samenwerking georganiseerd wordt. Door afspraken schriftelijk vast te leggen, worden mogelijke misverstanden, onduidelijkheden en toekomstige conflicten tussen de partijen verkleind.
  • Alhoewel het gebruik van het format op de website van DUS-i niet verplicht is staan hier wel alle onderdelen in waaraan gedacht moeten worden bij het opstellen van een samenwerkingsovereenkomst. Daarom adviseren wij wel om het format te gebruiken.

In artikel 13 van de subsidieregeling staat wat er opgenomen moet worden in een samenwerkingsovereenkomst. Deze verplichtingen moeten duidelijk genoeg omschreven zijn om wederzijdse verwachtingen, verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid helder vast te leggen, maar niet zó gedetailleerd dat het een log, administratief document wordt. Hier is een balans nodig tussen specificiteit en werkbaarheid.

Begroting

We willen de administratieve last voor samenwerkingsverbanden beperkt houden. Daarom kiezen we voor een maximum van 10 activiteiten. Dit betekent dat u bepaalde activiteiten moet samenvoegen in de begroting. U kunt voor voorbeelden van activiteiten kijken naar deze sheets.

U selecteert de schaal die bij de functie past van de persoon die de werkzaamheden uit gaat voeren. Het bedrag uit de HOT is de maximale vergoeding per uur. De gestandaardiseerde tarieven voorkomt dat er willekeurige of onrealistische berekeningen van personeelskosten worden gemaakt.

Dit kunt u indien gewenst aangeven onder de kolom ‘Omschrijving eenheid’. Dit hoeft echter niet, omdat uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt welke partner welke rol oppakt.

Het is handig om vooraf het format van de begroting eens te bekijken. In het format staat een uitleg hoe het format gebruikt moet worden. Als er bijvoorbeeld reiskosten gemaakt moeten worden door partner, dan moet de kostenpost ‘reiskosten’ opgevoerd worden met de daarbijbehorende toelichting.

Dit wordt duidelijk in het begrotingsformat. Voor personeelskosten binnen uw organisatie selecteert u in kolom D ‘Personeelskosten’. Voor externe personeelskosten selecteert u in kolom D ‘Kosten derden’.

  • In aanloop naar de publicatie van de subsidieregeling is vanuit regio’s meermaals het verzoek gekomen om een niet te gedetailleerde begroting op te vragen. Wij hebben hier hopelijk gehoor aan gegeven.
  • Gezien de aard van de subsidie, gericht op ontwikkeling en kennisdeling, mogen er ruime budgetposten opgenomen worden in de begroting. Dit biedt de benodigde flexibiliteit om te leren, te innoveren en te reageren op nieuwe inzichten gedurende de subsidieperiode.
  • Geef per activiteit in ieder geval inzicht in de personeelskosten, de kosten van derden, materiele kosten en overige kosten.
  • Mocht er in de subsidieperiode wijzigingen optreden in de begroting dan kunt u deze doorgeven aan DUS-i.

Deze kunt u opvoeren in de begroting bij de betreffende activiteit onder ‘overige kosten’. U dient out of pocket kosten wel te specificeren, zoals bijvoorbeeld zaalhuur, catering, communicatiemateriaal etc.

Ja, dit mag zeker. Op basis van ervaringen uit de 2 pilots weten we dat er meer intakes nodig zijn om uiteindelijk te komen tot de 200 deelnemers. Ongeveer 60% stroomt door. Daarnaast duurt een intakegesprek in het meest efficiënte geval een half uur, maar vindt er ook een 1-meting plaats (nogmaals een uur) en zijn er planningswerkzaamheden voor het inplannen van de gesprekken.

Uitgaande van 200 deelnemers ziet een meer realistische berekening er als volgt uit:

  • 333 intakes * 0,75u * 100 euro
  • 200 1-metingen * 0,75u * 100 euro
  • Dan kom je uit op een totaal van € 40.000,-.

Hierbij merken we graag op dat de intake niet alleen informatie oplevert voor het impactonderzoek, maar ook informatie over de leerwens van de deelnemer en dus bijdraagt aan de activiteiten rondom het aanbieden en ontwikkelen van onderwijsaanbod.

Ja, de subsidie wordt verantwoord in model G2 voor bekostigde instellingen en volgens art. 7.8 van de kaderregeling voor niet-bekostigde instellingen. Dit betekent dat er sprake is van een activiteitenverslag en een financieel verslag. Voor de verantwoording is een accountantsverklaring nodig. De accountant moet kunnen controleren of de inzet van personeel overeenkomt met de begroting. Dit betekent inzicht in de gerealiseerde uren d.m.v. een urenregistratie.

Ja. Als je een subsidie ontvangt, wordt er geen btw over het subsidiebedrag gerekend. In dit geval is de ontvanger het samenwerkingsverband, ook al is er maar één penvoerder. Alle partijen die de samenwerkingsovereenkomst ondertekend hebben kunnen dus btw vrij factureren.

Te subsidiëren activiteiten

Activiteiten gericht op het vinden, activeren, scholen én begeleiden van deelnemers zijn subsidiabel.

Datzelfde geldt overigens voor activiteiten gericht op het activeren en ondersteunen van bedrijven.

Arbeidsmarktanalyse?

  • Ja, (basis)analyse is wenselijk in de subsidieaanvraag. Verdiepende en vervolg-analyses zijn mogelijk tijdens uitvoering. Zorg er wel voor dat het project direct start en niet eerst een periode omvat van maanden met alleen analyse

Is hulp / ondersteuning hebt i.v.m. je financiën en huishouden subsidieerbaar?

  • Niet als losstaande activiteit, maar wel begeleiding als onderdeel van gehele aanpak gericht op LLO met werkperspectief

Is hulp en ondersteuning van een jobcoach op je werkplek subsidieerbaar?

  • Niet als losstaande activiteit, maar wel begeleiding als onderdeel van gehele aanpak gericht op LLO met werkperspectief

Mag je de subsidie ook gebruiken voor LLO van bol-ers en bbl-ers?

  • Voor bol-ers en bbl-ers bestaat reguliere bekostiging, de subsidieregeling LLO-collectief is daar niet voor bedoeld.
  1.  Het landelijk projectmanagement
  • Het landelijk projectmanagement wordt uitgevoerd door KBA Nijmegen. Zij vragen van elke regio in ieder geval:
    • Voortgangsgesprekken per regio (elk kwartaal)
    • Werkbezoeken aan elk van de deelnemende regio’s (1x)
    • Deelname van regio’s aan de ontwikkelgroepen,
    • Kennisuitwisseling tussen regionale LLO-Collectieven (elk kwartaal)
  • De ontwikkelgroepen:
    • Vier thema’s: Deelnemers; Bedrijven; (scholings)trajecten; en Governance
    • Elke regio neemt deel aan 2 ontwikkelgroepen
    • Werkzaamheden van elke ontwikkelgroep:
      • Inventarisatie knelpunten en good practices
      • Opzetten en volgen regionale experimenten
      • Vaststellen instrumenten en werkwijzen
  1. Impactmonitor:
  • De impactmonitor wordt uitgevoerd door Berenschot. Houdt rekening met de volgende aanpak:
    • Om de vooruitgang van deelnemers te meten, maken we gebruik van een meetinstrument. Per deelnemer wordt een pre- en post-test (intakegesprek en 1-meting) uitgevoerd, om de vooruitgang te kunnen vaststellen. Zodra deelnemers starten met een traject, neemt de regio een intakegesprek af met behulp van het door Berenschot ontwikkelde meetinstrument. Acht maanden na de start van het traject, wordt de 1-meting afgenomen.
    • Een intakegesprek en een 1-meting duren gemiddeld 45 tot 60 minuten per gesprek. Deze gesprekken worden door het projectconsortium zelf afgenomen met behulp van een digitale tool, zodat de data bij Berenschot terecht komen.
    • Berenschot zorgt voor het materiaal en een duidelijke instructievideo zodat de intakers in de regio zelf met het meetinstrument aan de slag kunnen. Berenschot is bij de eerste gesprekken aanwezig om intakers in te kunnen werken.
    • Deelname aan de impactmonitor is verplicht. Berenschot voert deze uit, houdt rekening met AVG en zorgt voor onderlinge vergelijking van regio’s en voor gezamenlijke rapportage en terugmelding naar het Nationale Groeifonds.
  1. en 4. Professionalisering
  • De stichting Lezen en Schrijven en ITTA hebben aanbod ontwikkeld op gebied van de deskundigheidsbevordering van betrokken professionals
    • Het is facultatief of je als regio gebruik maakt van het ontwikkelde aanbod
  • ITTA: Deskundigheidsbevordering docenten en praktijkopleiders (Elke regio kan kosteloos gebruik maken van het aanbod van ITTA. Het aanbod betreft de professionalisering van vakdocenten en praktijkbegeleiders. Concreet:
    • Persoonlijk contact over behoeften en mogelijkheden, planning en werving vakdocenten/praktijkopleiders – online en op locatie
    • Onbeperkt toegang tot de E-learning LLO | Begeleiden bij de beroepsopleiding.
    • Eenmaal teambegeleiding bij de E-learning (4 x 1, 5 uur op locatie)
    • Eenmaal een train-de-trainer voor begeleiding van collega’s vakdocenten en praktijkopleiders bij de E-Learning (2 x 3 uur)
    • Meer begeleiding van meer teams bij de E-Learning of train-de-trainers kan ook – apart op te nemen in de begroting.)
  • Stichting Lezen en Schrijven: Deskundigheidsbevordering professionals (Elke regio kan kosteloos gebruik maken van het aanbod van Stichting Lezen en Schrijven. Het aanbod betreft de professionalisering van screening, werving en toeleiding. Concreet:
    • Informatiepakket, bij aanvang project
    • Online intakegesprek, behoeften ophalen
    • 2 x online adviesgesprek met de projectleider
    • Onbeperkt toegang tot leerplatform LLO taalwerkt.nl/llo
    • Op meerdere plekken in het land organiseren we sessies waar alle arbeidsmarktregio’s aan mogen deelnemen. De sessies zijn voor professionals met direct klantcontact: werkgevers, consulenten werk en inkomen & adviseurs UWV:
    • Aan de slag met screenen op basisvaardigheden.
    • Trainen van gesprekstechnieken, specifiek met een Nederlandssprekende inwoner.
    • Meer adviesgesprekken of praktijksessies kan ook – apart op te nemen in de begroting.)
  • Het aanbod dat de Stichting Lezen en Schrijven en ITTA hebben ontwikkeld is te vinden op LLO-Collectief.nl/tips .

Geleerde lessen

De projectplannen van de twee pilotregio’s worden niet gedeeld. Ik wijs je graag op hun websites voor meer informatie over hun projecten. Voor meer info over activiteiten van regio Zuidoost Brabant: www.de800.nl. Voor meer info over activiteiten van regio Twente: www.ikletterop.nl.

Professionalisering

Zorg dat scholing aandacht krijgt. Alle betrokkenen kunnen naar de voor hen beschikbare scholing kijken, want het is maatwerk. Dat wil zeggen dat de gebruiker de scholing niet van A tot Z moet doorlopen, maar die competenties of onderwerpen pakt waar hij of zij baat bij denkt te hebben.

Overig

In de toelichting van de regeling onder ‘3. Onderdelen subsidieaanvraag’ staat het volgende:

“Onderwijsaanbod

  • Ontwikkelen van onderwijsaanbod dat aansluit bij de leerwensen van de doelgroep, op maat gemaakt en gericht op het verbinden van basisvaardigheden en vakvaardigheden. De exacte vorm van het onderwijsaanbod is flexibel en kan zowel formeel als non-formeel zijn. De opleider in het samenwerkingsverband dient weliswaar een opleider in formeel onderwijs te zijn, maar dat laat onverlet dat ook private opleiders in non-formeel onderwijs zich bij het samenwerkingsverband kunnen aansluiten. Er kan voortgebouwd worden op bestaand onderwijsaanbod, zoals mbo-certificaten, branche-certificaten, praktijkleren met de praktijkverklaring en verbetering van basisvaardigheden van volwassenen in het algemeen. De duur, grootte van de groepen, vorm, locatie van de lessen etc. is aan de partijen uit de samenwerkingsstructuur om te bepalen. Borging van de onderwijskwaliteit komt terug in de kwalitatieve beoordeling van de aanvraag.
  • Aanbieden van het onderwijsaanbod aan ten minste 200 laaggeletterde of laagopgeleide personen per regio in Europees Nederland of ten minste 15 laaggeletterde of laagopgeleide personen per eiland in Caribisch Nederland.

Projectorganisatie

  • Opzetten projectorganisatie, werkgroepen, afstemmen met verschillende partijen;
  • Aanstellen projectleider;
  • Bestuurlijke sturing organiseren;
  • Administratieve werkzaamheden;
  • Communicatie;
  • Verantwoordingswerkzaamheden richting Nationaal Groeifonds, richting landelijke monitor en richting OCW als subsidieverstrekker.

Regionale samenwerking

  • Opzetten samenwerkingsstructuur in de regio met in ieder geval een opleider, werkgeversorganisatie en overheidsorganisatie;
    • Samenwerking gericht op werkzoekenden;
    • Samenwerking gericht op werkenden;
  • Starten regionale samenwerking voor het structureel vasthouden in het beleid en het werk van de partijen.

Landelijke samenwerking

De projecten die zullen worden gestart via deze regeling zijn primair regionaal van opzet. De samenwerking en de uitvoerende activiteiten vinden voor het grootste deel in de regio plaats. Aanvullend is het voor deze projecten van belang dat er ook landelijke samenwerking is. Het Nationaal Groeifonds heeft deze middelen ter beschikking gesteld om een impuls te geven en daarmee landelijk de toegankelijkheid van LLO voor deze doelgroep langdurig te verbeteren. In dat kader wordt vanuit het landelijke projectleiderschapssamenwerking tussen regio’s gefaciliteerd en bijeenkomsten georganiseerd. Dit is tevens een verplicht onderdeel van de regeling. Regio’s dienen op verzoek van het landelijke projectleiderschap bijdragen te leveren aan werkgroepen en dienen bij te dragen aan het leveren van informatie aan de landelijke monitor. Het professionaliseringsaanbod van Stichting Lezen en Schrijven en ITTA is beschikbaar voor alle regio’s. Hier dienen aanvragers dus gebruik van te maken en tijd en ruimte voor in te ruimen in de planning en begroting.

  • Deelname aan landelijke monitor LLO Collectief die op dit moment door Berenschot geleid wordt.
  • Participatie in de projecten die mogelijkheden tot professionalisering van docenten, werkgevers en andere professionals bieden in het kader van LLO Collectief. Deze projecten worden uitgevoerd door de Stichting Lezen en Schrijven en ITTA – kennisinstituut voor taalontwikkeling.
  • Aanleveren en registreren van benodigde data en informatie voor het landelijk projectleiderschap dat de coördinatie en samenhang tussen alle projecten bewaakt.
  • Deelname aan het delen van geleerde lessen tussen regio’s onderling onder leiding van het landelijk projectleiderschap, inclusief de verdere doorontwikkeling van instrumenten, werkwijzen en andere tools.”

In de artikelsgewijze toelichting van artikel 3 van de de regeling staat het volgende:

“Alleen de voor het project noodzakelijke kosten worden gerekend als subsidiabel. Het gaat onder andere om kosten voor inzet van personeel, om exploitatiekosten en om afschrijfkosten in zoverre deze toe te rekenen zijn aan de LLO-oplossing. Dit betekent dat van de aangeschafte voorzieningen die worden ingebracht op de begroting alleen de afschrijfwaarde mag worden opgevoerd als subsidiabel voor de tijdsperiode dat deze voorzieningen binnen het project worden toegepast. Met betrekking tot personele kosten wordt hier ook de inzet van externen bedoeld, maar het heeft de voorkeur om intern personeel te gebruiken indien mogelijk. Intern personeel maakt het makkelijker om de opbrengsten te verduurzamen binnen de organisatie en voorkomt BTW afdracht waardoor er 21% meer subsidie beschikbaar is.”

Coaching en projectleiderschap vallen volgens deze uitleg onder subsidiabele kosten. Alle kosten die noodzakelijk zijn voor het project zijn subsidiabel. Het is belangrijk dat u in uw aanvraag de kosten voldoende toelicht, zodat het voor DUS-I direct duidelijk is waarvoor de middelen worden ingezet.

De regeling schrijft voor dat de activiteiten vanaf 1 januari 2026 kunnen starten. De beschikking op de aanvraag komt pas eind januari 2026. Het is aan de aanvrager zelf om te beslissen of hij het risico wil lopen om de activiteiten al op 1 januari 2026 start, als het nog niet zeker is of de subsidie wordt toegekend.

§Activiteiten die vóór 1 januari 2026 starten, zijn niet subsidiabel.

Er wordt een regionale aanpak gevraagd, met een brede analyse. Het is echter aan de regio om keuzes te maken. Het is ook mogelijk om gaandeweg de projectuitvoering uit te breiden. Er kan maar 1 project per regio worden gehonoreerd.

  • Projectdoelstellingen kunnen het beste worden aangegeven bij de eerste vraag over visie en ambitie (Wat is de ambitie van het samenwerkingsverband als het gaat om Leven Lang Ontwikkelen (LLO) voor laaggeletterden en laagopgeleiden?)
  • Operationele doelstellingen kun je als mijlpaal kwijt bij het beschrijven van jullie activiteiten.